Discipline is soms gewoon trauma met een strak weekschema
Ik heb jarenlang veel gesproken over discipline. Over doen wat nodig is, zolang het nodig is, totdat je hebt wat je wilt. Over iedere dag opnieuw kiezen voor datgene wat goed voor je is, ook wanneer het op dat moment niet goed voelt. Over verantwoordelijkheid nemen voor je leven en niet bij iedere vorm van weerstand meteen concluderen dat iets niet bij je past.
Daar geloof ik nog steeds in.
Ik geloof niet in een leven waarin je alleen maar doet waar je zin in hebt. Ik geloof niet dat ieder ongemak een teken is dat je moet stoppen. Soms moet je gewoon je bed uit. Soms moet je trainen terwijl je geen zin hebt. Soms moet je dat gesprek voeren waar je al drie weken omheen loopt te draaien. Soms moet je stoppen met zuipen, je telefoon wegleggen, je afspraken nakomen en ophouden met jezelf voor de gek houden.
Een goed leven vraagt iets van je.
Maar ik ben de laatste jaren ook iets anders gaan zien. Iets wat mij eerlijk gezegd steeds meer fascineert en soms ook behoorlijk verontrust.
Discipline is namelijk niet automatisch gezond omdat het discipline heet.
Soms is discipline gewoon een buitengewoon effectieve manier om je coping te exploiteren.
En daar hebben we het bijna nooit over.
We kijken naar iemand die iedere ochtend om vijf uur opstaat, zes keer per week traint, een bedrijf bouwt, duizenden volgers bedient, geen dag overslaat en zichzelf steeds opnieuw naar een volgend niveau duwt, en we denken: sterk mens.
Misschien.
Maar misschien kijken we ook naar iemand die letterlijk niet weet hoe hij moet stoppen.
Misschien kijken we naar iemand die rust niet ervaart als rust, maar als gevaar. Iemand die alleen bestaansrecht voelt wanneer hij produceert. Iemand die zichzelf pas verdraagt wanneer hij nuttig is. Iemand die zo diep gelooft dat hij zonder prestatie niets voorstelt, dat discipline geen keuze meer is maar een levenslijn.
En daar kun je heel ver mee komen.
Dat is het verraderlijke.
Coping maakt mensen namelijk niet altijd zichtbaar kapot.
Soms maakt coping ze succesvol.
Soms maakt een jeugd vol onveiligheid je hyperalert en word je daardoor briljant in het lezen van mensen. Soms maakt emotionele verwaarlozing je extreem zelfstandig en bouw je een bedrijf omdat je al vroeg hebt geleerd dat je op niemand hoeft te rekenen. Soms maakt schaamte je krankzinnig ambitieus. Soms maakt verlatingsangst je sociaal begaafd, aantrekkelijk en onmisbaar. Soms maakt een diepe angst om niet goed genoeg te zijn je de meest gedisciplineerde persoon in de ruimte.
En dan begint de wereld te klappen.
Dat applaus is ingewikkeld, want niemand vraagt nog wat er onder die prestatie ligt.
Niemand vraagt of je vrij bent.
Ze vragen alleen hoe laat je opstaat.
Ik weet daar zelf behoorlijk wat van.
Ik kom uit de topsport. Ik heb een eetstoornis gehad. Ik ken het vermogen om pijn te negeren, signalen te overstemmen en je lichaam te behandelen alsof het een werknemer is met een slecht contract. Ik ken de mentale constructie waarin moe zijn iets is voor zwakke mensen, waarin rust verdiend moet worden en waarin stoppen voelt als falen.
Ik weet hoe lekker het kan zijn om jezelf te definiëren als iemand die altijd doorgaat.
Dat geeft identiteit.
Dat geeft controle.
Dat geeft zelfs een soort morele verhevenheid, want zolang jij wel gaat en een ander niet, hoef je niet te kijken naar de vraag waarom jij eigenlijk zo nodig moet.
En laat ik daar eerlijk over zijn: een deel van mijn discipline is gezond. Ik kan bouwen. Ik kan commitment aangaan. Ik kan een besluit nemen en daar consequenties aan verbinden. Ik ben daar trots op.
Maar ik zou liegen als ik zou zeggen dat mijn discipline altijd uit vrijheid kwam.
Soms kwam ze uit angst.
Soms kwam ze uit schaamte.
Soms kwam ze uit die oude overtuiging dat ik alleen besta wanneer ik iets toevoeg.
Soms kwam ze uit het onvermogen om stil te vallen.
Soms was mijn discipline niet het bewijs dat ik goed voor mezelf zorgde, maar juist de manier waarop ik mezelf verliet.
Dat verschil is belangrijk.
Want van buiten kan het er precies hetzelfde uitzien.
Twee mensen kunnen allebei zes keer per week trainen.
De één doet het omdat beweging haar goed doet, omdat ze voor haar lichaam wil zorgen en omdat ze haar grenzen kent.
De ander doet het omdat een gemiste training een complete identiteitscrisis veroorzaakt.
Zelfde gedrag.
Andere bron.
Twee mensen kunnen allebei hard werken.
De één bouwt iets waar hij werkelijk in gelooft en kan daarna de laptop dichtklappen.
De ander blijft doorwerken omdat stilte een deur opent naar gevoelens waar hij al twintig jaar van wegrent.
Zelfde gedrag.
Andere bron.
Twee mensen kunnen allebei zeggen dat ze enorm gedisciplineerd zijn.
Maar bij de één staat discipline in dienst van het leven.
Bij de ander staat het leven in dienst van discipline.
En daar wordt het gevaarlijk.
Vooral wanneer iemand zijn hele identiteit om die discipline heen bouwt.
Want op het moment dat jouw coping sociaal beloond wordt, ga je haar zelden nog herkennen als coping.
Sterker nog, je gaat haar verkopen.
Je maakt er een methode van.
Een merk.
Een visie.
Een identiteit.
Je gaat anderen leren dat zij meer discipline nodig hebben, terwijl jij misschien zelf vooral ongelofelijk goed bent geworden in het structureren van je eigen vlucht.
Dat is iets waar ik steeds kritischer naar ben gaan kijken in de coachwereld.
Niet omdat ik denk dat alle gedreven coaches getraumatiseerde malloten zijn die op instorten staan. Natuurlijk niet. Maar wel omdat deze wereld een perfecte broedplaats is voor mensen die hun overlevingsmechanismen hebben leren monetizen.
Hypervigilantie wordt mensenkennis.
Pleasen wordt servicegerichtheid.
Controle wordt leiderschap.
Perfectionisme wordt high performance.
Emotionele afstand wordt focus.
Werkverslaving wordt commitment.
Een onvermogen om te rusten wordt discipline.
En een zorgvuldig opgebouwde overlevingsidentiteit krijgt het label authenticiteit.
Dat laatste vind ik misschien nog wel het interessantst.
Want authenticiteit is een prachtig woord, maar ook een verdomd makkelijk woord om je achter te verschuilen.
Je kunt de hele dag praten over voelen zonder werkelijk te voelen.
Je kunt honderd podcasts opnemen over je waarheid en nog steeds niet kunnen verdragen dat iemand een andere waarheid heeft.
Je kunt mensen leren hun patronen te doorbreken terwijl je zelf iedere grens interpreteert als weerstand.
Je kunt zeggen dat je leeft vanuit je hart en ondertussen vooral heel goed zijn geworden in het overrulen van alles wat jouw zelfbeeld bedreigt.
Je kunt zelfs van authenticiteit een performance maken.
En hoe verder iemand verwijderd raakt van zichzelf, hoe harder soms geroepen moet worden dat alles wat diegene doet juist ontzettend echt is.
Dat is geen aanval op ambitie.
Het is een vraag naar congruentie.
Want ik heb in mijn eigen leven inmiddels geleerd dat woorden goedkoop zijn.
Iemand kan zeggen dat verbinding belangrijk is en jou ondertussen geen ruimte geven om los te komen.
Iemand kan zeggen dat jouw gevoel centraal staat en tegelijk blijven duwen op een interpretatie die beter past bij haar eigen behoefte.
Iemand kan zeggen dat je moet vertrouwen op je lichaam, maar jouw nee toch behandelen alsof die vooral een angstreactie is die nog doorbroken moet worden.
Iemand kan zichzelf extreem bewust noemen en ondertussen geen seconde werkelijk nieuwsgierig zijn naar de impact van haar gedrag.
Dat is voor mij een van de meest ontregelende lessen van de afgelopen jaren geweest.
Dat iemand heel veel taal kan hebben.
Heel veel kennis.
Heel veel rituelen.
Heel veel zelfonderzoek.
Heel veel discipline.
En toch niet vrij hoeft te zijn.
Sterker nog, al die dingen kunnen deel worden van de gevangenis.
Je kunt een mens namelijk behoorlijk stevig opsluiten in persoonlijke ontwikkeling.
Je bouwt dan geen tralies van staal, maar van routines, theorieën, identiteit en overtuigingen over wie je bent.
Je noemt jezelf krachtig.
Gedisciplineerd.
Bewust.
Authentiek.
En ondertussen wordt het steeds moeilijker om nog iets toe te laten wat niet in dat verhaal past.
Want stel je voor dat je moet erkennen dat je niet vrij bent.
Dat je niet zo goed afgestemd bent als je dacht.
Dat jouw discipline misschien voor een deel een dwangmatige oplossing is voor een oud probleem.
Dat jouw enorme behoefte aan controle niet alleen kracht is.
Dat jouw voortdurende drive misschien ook gewoon angst is.
Dan begint er iets te schuiven.
En dat is precies waarom sommige mensen liever nóg harder gaan.
Nog een project.
Nog een training.
Nog een lancering.
Nog een doel.
Nog een protocol.
Nog een bewijsstuk van wie ze zeggen dat ze zijn.
Want zolang je beweegt, hoef je niet te kijken.
Ik herken dat ook in mezelf.
Ik heb vrije dagen gehad waarop ik binnen een uur alweer vond dat ik iets moest maken. Een podcast. Een blog. Content. Iets nuttigs. Dan moest ik óók nog naar buiten, naar het strand, goed voor mezelf zorgen, bewegen en van mijn vrije dag genieten.
Zelfs ontspanning werd een prestatie.
Dat is bijna komisch als het niet zo vermoeiend was.
Mijn systeem kent snelheid.
Doorgaan.
Fixen.
Creëren.
Zorgen.
Iets betekenen.
En op het moment dat dat stilvalt, komen er andere vragen boven.
Ben ik genoeg wanneer ik niets maak?
Ben ik nog interessant wanneer ik niet presteer?
Ben ik veilig wanneer ik niemand help?
Blijven mensen wanneer ik niets geef?
Wie ben ik wanneer er vandaag geen applaus komt?
Dat zijn vragen waar geen ochtendroutine tegenop kan.
Je kunt ze hooguit nog even wegtrainen.
En daarom denk ik dat we discipline veel serieuzer moeten gaan bekijken.
Niet minder belangrijk.
Wel eerlijker.
De vraag is niet alleen of jij kunt doorgaan.
De vraag is ook of jij kunt stoppen.
Kun je een training overslaan zonder jezelf te haten?
Kun je een dag niets produceren zonder direct onrustig te worden?
Kun je een doel loslaten wanneer je merkt dat het je sloopt?
Kun je erkennen dat iets niet goed voor je is, ook wanneer je er al jaren je identiteit op hebt gebouwd?
Kun je hulp vragen voordat je instort?
Kun je zeggen dat je bang bent zonder dat meteen om te zetten in een actieplan?
Kun je bij jezelf blijven wanneer iemand teleurgesteld in je raakt?
Kun je rust nemen voordat je lichaam je platlegt?
Want pas wanneer je óók kunt stoppen, wordt doorgaan interessant.
Anders is doorgaan misschien geen kracht.
Dan is het gehoorzaamheid.
Aan angst.
Aan schaamte.
Aan het oude kind dat ooit besloot dat het onmisbaar moest worden.
Aan de topsporter in jou die pijn niet meer registreert.
Aan de pleaser die denkt dat liefde verdiend moet worden.
Aan de perfectionist die gelooft dat fouten gevaarlijk zijn.
Aan de ondernemer die bang is dat één dag stilte betekent dat niemand meer kijkt.
En dat brengt me bij iets waar ik zelf steeds meer in geloof.
Echte discipline is niet het vermogen om jezelf te domineren.
Echte discipline is het vermogen om niet langer automatisch gehoorzaam te zijn aan je coping.
Dat vraagt soms dat je doorgaat.
Maar soms vraagt het dat je stopt.
Soms is discipline dat je gaat trainen terwijl je geen zin hebt.
Soms is discipline dat je thuisblijft omdat je lichaam al weken om rust schreeuwt en jij verslaafd bent geraakt aan de verdoving van uitputting.
Soms is discipline dat je je bedrijf serieus neemt.
Soms is discipline dat je om negen uur ’s avonds je laptop dichtklapt terwijl alles in jou gilt dat je nog één ding moet afmaken.
Soms is discipline dat je een podcast opneemt omdat je iets te zeggen hebt.
Maar soms is discipline ook dat je geen podcast opneemt, omdat je voelt dat je niet aan het creëren bent vanuit vuur, maar vanuit paniek. Omdat je merkt dat het niet meer gaat over delen, maar over zichtbaar blijven. Over niet wegzakken. Over niet vergeten worden. Over niet stilvallen in jezelf.
Soms is discipline dat je voor je cliënten gaat staan.
Maar soms is discipline ook dat je niet nog even dat ouderappje stuurt, niet nog even dat ene ding afmaakt, niet nog even ergens induikt omdat je voelt dat je jezelf via de ander aan het reguleren bent. Omdat helpen dan geen geven meer is, maar een manier om je eigen onrust niet te hoeven dragen.
Soms is discipline dat je een relatie niet opgeeft bij de eerste hobbel.
Maar soms is discipline dat je eindelijk vertrekt uit een dynamiek waarin je jezelf voortdurend kleiner maakt, aanpast en verlaat om de verbinding te behouden. Niet omdat je geen liefde hebt. Niet omdat je niet loyaal bent. Maar omdat je ergens diep vanbinnen weet dat blijven niet altijd trouw is. Soms is blijven gewoon opnieuw bewijzen dat je jezelf als eerste laat vallen.
Soms is discipline dat je je woord houdt.
Maar soms is discipline dat je een oude belofte aan jezelf verbreekt, omdat je inmiddels begrijpt dat die belofte ooit door een bang mens is gemaakt. Een mens dat dacht dat ze alles alleen moest doen. Een mens dat dacht dat ze altijd sterk moest blijven. Een mens dat dacht dat liefde iets was waarvoor je moest werken, presteren, geven, aanpassen of verdwijnen.
Dat vind ik misschien wel het moeilijkste aan volwassen worden.
Dat je op een gegeven moment niet alleen je slechte gewoontes moet onderzoeken, maar ook je goede eigenschappen.
Want juist daar zit vaak de grootste verwarring.
Het is makkelijker om te erkennen dat zuipen, vluchten, liegen of jezelf compleet verliezen in een relatie niet gezond is.
Veel moeilijker is het om te zien dat ook je werklust, je zelfstandigheid, je zorgzaamheid, je loyaliteit, je discipline en je vermogen om door te gaan soms besmet kunnen zijn met hetzelfde oude zeer.
Dat is confronterend.
Want die eigenschappen hebben je ook geholpen.
Ze hebben je overeind gehouden.
Ze hebben je door periodes heen getrokken waarin niemand anders je kwam halen.
Ze hebben ervoor gezorgd dat je kon bouwen toen je eigenlijk gebroken was.
Ze hebben je geleerd om niet om te vallen bij de eerste storm.
Daar zit waardigheid in.
Daar zit kracht in.
Daar zit ook iets in wat je niet zomaar hoeft weg te gooien.
Maar op een bepaald moment moet je wel gaan kijken of dat wat jou ooit heeft gered, je nu nog steeds dient.
Want overleving die te lang aan het stuur blijft zitten, gaat zich uiteindelijk voordoen als karakter.
Dan zeg je: zo ben ik nou eenmaal.
Ik ben gewoon gedisciplineerd.
Ik ben gewoon loyaal.
Ik ben gewoon zelfstandig.
Ik ben gewoon iemand die doorgaat.
Maar onder die zin kan van alles liggen.
Ik durf niet te rusten.
Ik durf niemand nodig te hebben.
Ik durf niet teleur te stellen.
Ik durf niet te voelen hoe alleen ik me eigenlijk voel.
Ik durf niet te ontdekken wie ik ben zonder prestatie.
Ik durf niet te stoppen, want als ik stop, stort het hele bouwwerk misschien in.
En precies daar wordt discipline gevaarlijk.
Niet omdat discipline slecht is.
Maar omdat een mens zichzelf met bewonderenswaardige discipline volledig kwijt kan raken.
Je kunt jezelf heel netjes kapotmaken.
Heel strak gepland.
Heel consequent.
Heel indrukwekkend.
Met goede voeding, goede routines, goede teksten, goede doelen en een goed verhaal.
En niemand die het doorheeft, omdat het er van buiten zo competent uitziet.
Omdat je niet in bed ligt te vergaan.
Omdat je niet openlijk ontspoort.
Omdat je functioneert.
Omdat je levert.
Omdat je glimlacht.
Omdat je anderen zelfs helpt om zichzelf terug te vinden.
En ondertussen ben jij misschien al jaren weg bij jezelf.
Niet spectaculair.
Niet dramatisch.
Gewoon iedere dag een klein beetje.
Door nog één keer over je grens te gaan.
Nog één keer niet te luisteren.
Nog één keer je lichaam te overrulen.
Nog één keer je behoefte weg te redeneren.
Nog één keer te kiezen voor het beeld dat klopt, in plaats van de waarheid die wringt.
Misschien is dat wel de meest geniepige vorm van zelfverlating.
Niet de grote crash.
Niet het moment waarop alles uit elkaar valt.
Maar het keurige, succesvolle, bewonderde leven waarin niemand ziet dat jij vooral heel gedisciplineerd bent geworden in het niet voelen van jezelf.
Daarom ben ik wantrouwiger geworden wanneer mensen discipline bijna als religie behandelen.
Niet omdat discipline verkeerd is.
Maar omdat ieder krachtig instrument gevaarlijk wordt wanneer je niet weet wie het bestuurt.
Je volwassen zelf?
Of je wond?
Je waarden?
Of je angst?
Je verlangen?
Of je honger naar bestaansrecht?
Dat onderscheid is niet sexy.
Je kunt het niet op een T-shirt drukken zonder dat het een beetje ingewikkeld wordt.
Het levert ook minder stoere filmpjes op.
Maar misschien is dit wel de eerlijkste vraag die we elkaar kunnen stellen:
Ben jij werkelijk gedisciplineerd?
Of ben jij gewoon uitzonderlijk goed geworden in jezelf dwingen?
Want daar zit een wereld van verschil tussen.
En soms zie je pas hoe groot dat verschil is wanneer je eindelijk stopt met rennen.
Wanneer je niet nog een doel stelt.
Niet nog een traject koopt.
Niet nog een planning maakt.
Niet nog een strategie bedenkt.
Niet nog een laag bewustzijnstaal over je patroon heen smeert.
Maar gewoon stil wordt en merkt dat er onder al die drive misschien helemaal geen vrije vrouw stond.
Misschien stond daar iemand die al jaren doodsbang was om niets te doen.
Iemand die dacht dat rust gevaarlijk was.
Iemand die dacht dat liefde verdiend moest worden.
Iemand die dacht dat ze pas iets waard was wanneer ze iets toevoegde.
Iemand die applaus kreeg voor precies datgene wat haar langzaam bij zichzelf vandaan bracht.
En dat is misschien wel de pijnlijkste vorm van succes.
Dat je alles bereikt wat je dacht nodig te hebben.
Dat je lichaam sterk is, je agenda vol, je bedrijf draaiend, je buitenkant indrukwekkend en je discipline onaantastbaar.
Maar dat je ergens onderweg het contact bent kwijtgeraakt met het enige wat eigenlijk leidend had moeten zijn.
Jij.
Niet je coping.
Niet je imago.
Niet je oude angst.
Niet het kind in jou dat nog steeds probeert te bewijzen dat ze mag bestaan.
Jij.
En misschien begint echte discipline daar pas.
Niet bij harder gaan.
Niet bij nog strakker worden.
Niet bij jezelf nog beter onder controle krijgen.
Maar bij het moment waarop je durft te zeggen:
Ik kan doorgaan.
Dat heb ik allang bewezen.
Nu wil ik leren voelen wanneer ik dat niet meer moet doen.
