Het ‘slechte’ herken je. Maar wat moet je met het goede?

Dat je beter weet wie je buiten moet houden, betekent nog niet dat je weet wat je moet met iemand die wél dichtbij mag komen.

Je kunt inmiddels prima herkennen wanneer je weer aan het trekken bent. Wanneer je woorden gaat wegen, je behoeften kleiner maakt en een halve studie van iemand maakt om te begrijpen waarom diegene jou zo weinig geeft. Je kunt leren om daar eerder mee te stoppen. Om te denken: ik snap best waar jouw gedrag vandaan komt, maar ik heb er ondertussen wel last van.

Daar zit groei in.

Maar dan ontmoet je iemand die gewoon belangstelling heeft. Die kan luisteren zonder zichzelf meteen te hoeven verdedigen, die iets terug kan geven, die niet voortdurend op je knoppen staat te rammen.

En dan?

Dan zou je toch moeten kunnen ontspannen? Dit was toch wat je wilde?

Ja. En toch kun je daar staan alsof je op de verkeerde planeet bent uitgestapt. Alles wat je gewend bent te doen, is hier ineens veel minder nodig. Andere regels, andere zwaartekracht. Je hebt geen idee waar de piketpalen staan.

Want het slechte buiten houden en het goede binnenlaten zijn twee verschillende dingen. En die tweede kun je behoorlijk onderschatten als je al jaren druk bent met de eerste.

Planeet A: je kent je werk

Ik noem het maar even planeet A. Daar ben je aan het opletten. Hoe kijkt iemand? Wat betekent die stilte? Is dit een goed moment om iets te zeggen, of kun je beter nog even wachten? En als je het zegt, hoe breng je het dan zo dat je er niet de rest van de avond last van hebt?

Bij een complexe posttraumatische stressstoornis (cPTSS) kan dat voortdurende scannen op gevaar behoorlijk aanwezig zijn. Ook vertrouwen en nabijheid kunnen ingewikkeld zijn. Dat ziet er niet bij iedereen hetzelfde uit, maar wie die waakzaamheid kent, weet hoeveel aandacht erin gaat zitten.

Je begint een gesprek omdat jou iets dwarszit en drie zinnen later ben je alweer bezig met hoe het bij de ander valt. Je ziet irritatie en begint af te zwakken. Je voelt afstand en gaat uitleggen. Uiteindelijk zit jij gerust te stellen, terwijl je eigenlijk iets kwam vertellen waar je zelf verdriet van had.

En ergens onderweg ben je je eigen punt helemaal kwijtgeraakt.

Daar kun je heel goed in worden. Aanvoelen, begrijpen, bijsturen, inschikken. Je weet misschien niet wat de ander gaat doen, maar je kent je eigen reflexen inmiddels wel.

Er is altijd werk. Nog een gesprek. Nog iets uitzoeken. Nog een poging om duidelijk te maken dat je behoefte aan aandacht echt niet zo buitensporig is.

Je kunt op die manier ontzettend druk zijn met een relatie, terwijl er maar weinig ruimte overblijft om die relatie ook te ervaren. Om te voelen of je het eigenlijk fijn hebt. Of je jezelf nog leuk vindt naast die ander.

Je bent vooral bezig met voorkomen dat het misgaat.

Planeet B: en nu luistert er iemand

En dan planeet B.

Stel dat je zegt: ‘Wat er gisteren gebeurde, deed me pijn.’

Je hebt al bedacht hoe je gaat uitleggen dat je geen verwijt maakt. Dat je heus begrijpt dat de ander moe was. Dat je echt niet verwacht dat alles om jou draait. Je hebt de hele verdediging klaarstaan.

En dan zegt iemand: ‘Dat had ik niet door. Wat deed je pijn?’

Daar zit je dan.

De ander gaat anders met je om, maar jij staat nog steeds klaar voor wat je gewend bent. Je kunt dus op planeet B zitten en ondertussen nog reageren volgens de regels van planeet A.

Nu moet je dus antwoord geven op de vraag waar je eigenlijk voor kwam. En dat kan ineens een stuk naakter voelen dan het hele betoog dat je had voorbereid.

Want onder dat betoog zit misschien gewoon: ik miste je. Ik voelde me alleen. Ik had graag gewild dat je even naar me toe kwam.

Dat zijn kleine zinnen waar behoorlijk veel in zit.

Op planeet B wordt niet alles meteen fijn en makkelijk. Mensen begrijpen elkaar verkeerd, worden moe, reageren onhandig. Maar er kan iets besproken worden zonder dat jij eerst moet aantonen dat je recht hebt op je gevoel. Er kan gedoe zijn zonder dat de verbinding meteen wordt ingetrokken.

En dan ontstaat er ruimte waar je iets mee moet. Je hoeft minder te trekken, minder te overtuigen, minder te bewijzen. Maar je moet wel voelen wat je zelf wilt. En dat ook nog eens laten merken.

Dat is een heel andere bezigheid.

Je kunt alles vertellen en toch op afstand blijven

Veel mensen zeggen: ‘Ik durf heel kwetsbaar te zijn. Ik vertel alles.’

Dat kan. Vertellen over wat je hebt meegemaakt kan doodeng zijn. Sommige dingen heb je jarenlang voor jezelf gehouden en het is nogal wat om iemand daarin mee te nemen.

Maar er zit een verschil tussen vertellen waar je pijn zit en iemand laten merken dat diegene je op dit moment raakt.

Je kunt een heel helder verhaal hebben over je verlatingsangst en nauwelijks over je lippen krijgen dat je graag wilt dat iemand nog even blijft. Je kunt uitleggen waarom je alles alleen bent gaan doen en vervolgens iedere uitgestoken hand afslaan.

De ander weet inmiddels hoe het bij je werkt. Alleen mag diegene nog niet zo makkelijk meedoen.

Dat maakt je verhaal niet onecht. Het laat zien dat open zijn over jezelf en iemand toelaten niet automatisch gelijk oplopen.

‘Ik vind het moeilijk om mensen te vertrouwen’ kun je vertellen vanaf een plek waar je nog behoorlijk veel overzicht hebt.

‘Ik vind jou belangrijk en ik ben bang dat ik daar straks verdriet van krijg’ komt ergens anders binnen.

Daar gebeurt het terwijl je erbij bent. Je weet nog niet wat de ander gaat zeggen. Je kunt jezelf niet alvast geruststellen met de afloop, want die is er nog niet.

En dan komt vaak de neiging om de boel snel weer kleiner te maken.

‘Ik zou je graag zien. Maar als je geen tijd hebt, snap ik dat hoor. Het hoeft ook niet. We kijken wel.’

Ho. Je wilde diegene toch graag zien?

Laat dat dan even staan.

Je hoeft niet alvast namens de ander te besluiten dat jouw verlangen onhandig uitkomt. Die ander heeft ook een mond. Laat die antwoorden.

Wat kom je brengen als er niks aan de hand is?

Want iemand toelaten houdt ook in dat diegene iets voor je mag betekenen. Je kunt vertellen dat je alles alleen doet, maar wat gebeurt er als iemand vervolgens zegt: ‘Zal ik je helpen?’ Daar krijgt dat gesprek ineens een vervolg. Nu kun je die ander daadwerkelijk laten meedoen.

Dat zit lang niet altijd in grote dingen. Soms zit het in een compliment dat je niet onmiddellijk afzwakt. In hulp aannemen zonder meteen te bedenken hoe je die gaat terugbetalen. In iemand laten vragen hoe het met je is, zonder na twee zinnen de aandacht weer terug te schuiven.

Dat kan verrassend ongemakkelijk zijn als je gewend bent om je plek vooral te vinden in wat je doet. Je helpt, je begrijpt, je regelt. Daar ben je goed in. Daar weet je wat je waard bent.

Maar wat gebeurt er als iemand gewoon graag bij je is?

Als er niks opgelost hoeft te worden en je ook geen geweldig verhaal hebt? Als je gewoon een doorsneedag hebt gehad en een beetje moe op de bank zit?

Dan blijft er veel minder over om je achter te verstoppen. Er hoeft niks uit je handen te komen en je hoeft niemand te vermaken. Iemand wil blijkbaar gewoon tijd met je doorbrengen.

En ergens kan dat de vraag oproepen: is dit dan genoeg?

Ja, voor die ander misschien wel. Alleen moet jij dat ook nog zien te verdragen.

Je kunt zo gewend raken aan moeite doen voor aandacht, dat je niet goed weet wat je aan moet met aandacht die uit zichzelf naar je toe komt. Je gaat relativeren, teruggeven, grappen maken, een ander onderwerp aansnijden.

Je krijgt het wel, maar je laat het amper binnenkomen.

En als het wél binnenkomt, kan dat meer losmaken dan alleen een fijn gevoel. Je merkt ineens hoe hard je ergens anders voor hebt gewerkt. Er wordt naar je geluisterd zonder dat je eerst hoeft te huilen. Iemand houdt rekening met je zonder dat je er drie gesprekken over hebt hoeven voeren.

Dan kun je daar blij mee zijn en tegelijkertijd denken: god, heb ik hier al die tijd zo om moeten leuren?

Je kunt goed kiezen en toch pijn krijgen

Als je iemand belangrijk laat worden, kan diegene je ook teleurstellen. Ook een zorgvuldig mens kan iets anders willen, je verkeerd begrijpen of een grens hebben waar jij verdrietig van wordt.

Je kunt beter kiezen en toch pijn krijgen. Er is geen hoeveelheid zelfkennis waarmee je dat helemaal kunt dichttimmeren.

Wel kun je kijken naar wat er vervolgens gebeurt. Kan erover gepraat worden? Telt jouw ervaring mee? Kan de ander naar zichzelf kijken, en jij ook?

Natuurlijk hoef je niet iedere twijfel weg te zetten als bindingsangst. Als je structureel tekortkomt, neem dat serieus. Je mag meer willen dan de afwezigheid van gezeik. Maar ook waar wel aandacht en wederkerigheid zijn, blijft dichtbij komen iets waarvoor je geen garantie krijgt.

Je bent hier nog aan het leren lopen

Op planeet B kun je je onhandiger voelen dan op planeet A. Daar had je tenminste iets te doen waar je veel ervaring mee had. Hier moet je misschien zeggen dat je iemand mist. Een lief gebaar laten binnenkomen. Toegeven dat je iets nodig hebt voordat je er zelf alweer overheen bent gestapt.

Dat hoeft niet in één keer soepel te gaan.

Je kunt iets fijn vinden en er toch onrustig van worden. Je kunt behoefte hebben aan nabijheid en merken dat je een stap terug doet zodra die er is. Dat is iets om te onderzoeken, zonder jezelf meteen weer op je kop te geven.

Begin bij wat er daadwerkelijk gebeurt. Iemand biedt iets aan. Wil je het? Zeg dan eens ja. Je wilt iemand zien. Laat het weten. Je hebt iets uitgesproken wat spannend voelt. Wacht even met het afzwakken ervan.

En blijf ondertussen voelen of dit contact ook echt goed voor je is. Toelaten vraagt geen blind vertrouwen. Je leert iemand kennen door mee te maken hoe diegene met jou omgaat, ook als je iets wilt, iets weigert of een keer niet zo gezellig bent.

Het slechte buiten houden is belangrijk. Je hoeft jezelf niet nog eens kwijt te raken om iemand anders dichtbij te houden.

Maar er is ook iets te leren aan de andere kant van die grens.

Wat doe je als iemand er zorgvuldig mee omgaat, jou graag wil zien en ruimte voor je maakt?

Durf je dan ook te laten merken dat je diegene graag dichtbij wilt?

Vergelijkbare berichten